Poëzie zo fier en koen

Bij dit bericht hoort een verhaal, een verantwoording, een excuus zelfs misschien: ik weet het niet zo goed. Er verschijnt in november een gedicht van mijn hand in een boek vol lyrische (in de zin van enthousiaste) poëzie. Mensen die me kennen vragen zich af hoe dat mogelijk is, want ik ben geboren en getogen in de mooiste en meest bruisende stad van Nederland, en juichte in 1970 als 10-jarige jongeling wild enthousiast mee op de Coolsingel na het winnen van de Europacup 1, terwijl het Schotse Celtic in vertwijfeling achterbleef na een zinderende verlenging in het San Siro-stadion in Milaan. Mijn held was Ove Kindvall, en juist díe scoorde natuurlijk in de 116e minuut van de wedstrijd, waarna een eeuwig durende euforie uitbrak die ik tot op de dag van vandaag door mijn aderen voel vloeien. En óók vandaag staat mijn naam dus onder een sonnet in een boek met als ondertitel: Het boek voor en door Ajax-fans.

Nu ik het zo in letters voor me zie, bekruipt me een gevoel van schaamte, afgrijzen en spijt, maar tegelijkertijd voel ik ook tevredenheid, plezier en trots. Datzelfde dubbele sentiment had ik, en velen met mij, in het voetbalseizoen 1983/84, toen Feyenoord én landskampioen werd én de beker won, maar met in de gelederen een (weliswaar – het moet gezegd – niet nutteloze) verstekeling die daar eigenlijk niet had mogen zijn. Verhalen over de veelbesproken overstap destijds van ’s werelds meest beroemde voetballer van 020 naar 010 bereikten mythische proporties: houders van seizoenskaarten stuurden hun heilige toegangsbewijs in stukken gescheurd retour, of als deze man aan de bal was, richtten de fans liever even hun blik richting een lekkere chick, of zo u wil (onze roze kameraden lezen dit immers wellicht ook), een kekke homo elders op de tribune van de Kuip. Met die beelden in gedachten begon ik dit jaar voor de gein, en om mijn poëticale vaardigheden op peil te houden, aan het schrijven van een mogelijke bijdrage aan het later te verschijnen boek met louter lof voor die Amsterdamse club waarvan ik de naam nog steeds moeilijk uit mijn strot krijg. Wat me bij deze stijloefening vanaf het begin intrigeerde, was dat genoemde verstekeling, die vrijwel net zo bekend geworden is onder zijn naam als onder zijn rugnummer (14), in Rotterdam onder een ander nummer speelde (10). Dat gegeven moest dus een hoofdrol spelen in het gedicht, temeer daar 14 ook staat voor het aantal regels van een sonnet. Tijdens het schrijven probeerde ik me te verplaatsen in de gedachten van zowel de aanhangers van zijn oude club (best een lastige opgave gezien de meestentijds bevroren toendra die ik daar aanvankelijk aan leek te treffen) als die van zijn nieuwe gezelschap, uiteindelijk resulterend in een hoofdmotief dat draaide om de uitdrukking als een vlag op een modderschuit. Na voltooiing van het gedicht moet ik het in een vlaag van verstandsverbijstering hebben opgestuurd naar de uitgever (een druk op een toets is tegenwoordig sneller gemaakt dan een juist gefrankeerde envelop op de bus gedaan in 1970), welke me onlangs verraste met het bericht dat het is opgenomen in de bundel lofdichten die thans voor ons ligt. En nu? Nu zal ik als rasechte Rotterdammer voor eeuwig een verstekeling zijn in een boek dat uitpuilt van Amsterdams chauvinisme. Laat ik me maar troosten met deze gedachte: als ze het goed lezen, kunnen aanhangers van beiderhande verenigingen (dus hand in hand) erin terugzien dat de hoofdrolspeler in deze klucht wat iedereen betreft geen rol had mogen krijgen.

Advertentie
Dit bericht werd geplaatst in diversen, sonnetten, verhalen en getagged met , , , . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s